Leedconcurrentie

Het liefst wil ik ter plekke in een diep gat in de grond verdwijnen. Maar het tegenovergestelde gebeurt. Afwachtend kijken acht lotgenoten mij aan. “Vertel eens, wat is jouw verhaal?” vraagt de gespreksleidster van de praatgroep met zo’n zachte therapeutenstem. “Wat doe ik hier?!” denk ik paniekerig. Op zoek naar het waarom van mijn vaders dood heb ik me in een vlaag van verstandsverbijstering aangemeld voor de Humanitas bijeenkomst ‘Jongvolwassenen en verlies’. En zo bevind ik mij op een donkere januari-avond ineens in een klaslokaal waar een groepje treurenden van dezelfde leeftijdscategorie rond kaarslicht bij elkaar zit. Dolende, niet in God gelovende zielen, zoeken hier steun bij elkaar. Denk ik. Want wat ik hier precies doe, weet ik even niet meer.

Om beurten vertellen we ons verhaal. Gelukkig, ik hoef niet als eerst. Stiekem gluur ik om me heen terwijl iedereen mechanisch zijn of haar verhaal afdraait. ‘Moeder dood na jaren van ziekte en aftakelen.’ ‘Vader gestorven terwijl het contact net was verbroken.’ ‘Ik mis mama zo.’ Het teveel aan verdriet en herkenbaarheid grijpt me bij de keel. De constante druk op m’n borst die ik al weken voel, neemt nog eens extra toe. En toch troost het me ook om te zien dat er nog meer zijn zoals ik. Lotsverwanten die net als ik naar antwoorden zoeken. Of steun. Of herkenning. Iets.

En terwijl ik net besluit dat hier zijn nog niet zo stom is als ik dacht, neemt de jongen naast me het woord. “Ik was tien jaar toen mijn moeder overleed. Ze had kanker. Een paar jaar later verongelukte mijn oudere broer. Dus toen bleef ik over met mijn vader. Maar helaas heeft ook hij zijn strijd tegen kanker onlangs moeten opgeven. En nu… ben ik dus alleen.” Ik probeer te slikken. Maar het lukt niet. Mijn keel lijkt op slot te zitten. De groep kijkt hem intens verdrietig en hulpeloos aan. De gespreksleidster zegt dingen als ‘dapper’ en ‘steun’ en ‘wat goed dat je hier bent’ en dan kijken alle ogen naar mij.

Intens ongemakkelijk schraap ik mijn keel. “Nou ja, bij mij valt het dus wel mee,” hoor ik mezelf mijn enorme verdriet inleiden. Want tjsa, hoe kan ik, na de uiteenzetting van dat hoopje ellende naast me, in hemelsnaam nog aanspraak maken op begrip van deze groep? Ik heb mijn moeder en twee broers nog. En, niet te vergeten, de niet aflatende steun van mijn vriend. “Mijn vader is een paar weken geleden plotseling overleden,” vervolg ik dapper mijn verhaal “en ik ben daardoor zo gigantisch in paniek. Ik heb geen idee hoe ik nu verder moet.” Ik haal even adem voor de afronding. “Maar ik me realiseer me net iets heel belangrijks. Ik heb thuis onbeperkt toegang tot steun en begrip. Dus ik wil hier helemaal niet zijn. Ik wil niet nog meer ellende horen en bij kaarslicht naar foto’s van nóg meer dode ouders kijken. Ik wil met mama en mijn broers over papa praten en ik wil tegen mijn steun en toeverlaat aankruipen terwijl we domme films kijken.”

Begripvol en inlevend als ze is, knikt de Humanitas mevrouw me toe. “Jouw verdriet mag er ook zijn.” Oh help. Dit is precies waar ik de kriebels van krijg. Had ik net niet heel dapper en eerlijk gezegd dat ik hier wegging? Betekent ‘jouw verdriet mag er ook zijn’ dat ik de lotgenoten nu aan hun lot mag overlaten? Of wat bedoelt ze hiermee? “Altijd is er wel iemand waarbij het erger is. Leedconcurrentie noemen ze dat.” zegt de gespreksleidster tegen me. “Kut,” denk ik, “ik moet dus nog even blijven.” “Maar jouw verdriet is niet te vergelijken met het verdriet van een ander,” zegt ze met die op m’n zenuwen werkende zalvende stem. “En door steeds te denken ‘dat het altijd erger kan’ bagatelliseer je je eigen verdriet. En dan kom je niet echt aan verwerken toe.”

Haar bot onderbreken en weglopen, is heel onaardig. Het enige wat ik kan doen, is dit even uitzitten, overpeins ik mijn opties. Dus ik zit en ik luister. En ik steek een kaars aan en laat de woorden over me heen komen. Tot de tijd erop zit en mijn acht lotgenoten en ik verwelkomd worden om volgende week weer terug te komen. Natuurlijk weten de Humanitas mevrouw en ik dat ik de volgende keer laat afweten. Maar spijt dat ik gegaan ben, heb ik niet. Want achteraf ben ik toch blij dat ik het goed bedoelde praatje heb aangehoord. Om eerlijk te zijn had die mevrouw, die het ook niet kan helpen dat ze zo lijzig praat, eigenlijk best een goed punt. Leedconcurrentie helpt je namelijk geen steek vooruit. Het was alleen mijn tijd nog niet voor dit inzicht. Het was op dat moment tijd voor het besef dat mijn lotgenoten mijn moeder en broers waren. En ruimte voor iets als leedconcurrentie was er in de vele praatgroepjes die ik met hen in de maanden erna hield niet. Wij deelden namelijk één verhaal. En dat was voor mij meer dan genoeg.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s